Vanggewas na laatste teelt | Groenloket Overijssel
Ik ben mijn wachtwoord vergeten

Dossier:

Broeikasgassen verminderen

In dit dossier

Dossierbeheerder

Vanggewas na laatste teelt

Biologische stikstofbinding door vlinderbloemigen is met name binnen de biologische landbouw belangrijk maar vlinderbloemigen nemen in de gangbare Nederlandse landbouw geen belangrijke plaats in.
In landbouwgronden kan op twee manieren biologisch N-binding optreden: via micro-organismen in symbiose met vlinderbloemigen en via vrijlevende bodembacteriën.De aanvoer van de laatste manier is beperkt tot 0-10 kg N per ha per jaar. Daarentegen kan de biologisch N binding via de symbiose aanzienlijk groter zijn. Vlinderbloemigen kunnen 40 tot 65 kg N per ton drogestof binden. Het is zo dat niet alle door vlinderbloemige (hoofd)gewassen gebonden N ten goede komt aan niet-vlinderbloemige volgteelten omdat een deel van de gebonden N weer kan worden afgevoerd (indien gewasdelen geoogst worden). De waarde van vlinderbloemigen zit in de stikstof die met gewasresten (stro, stoppels, wortels etc) achterblijft op het land. De stikstof inhoud van  vlinderbloemige groenbemesters kan oplopen tot 90 kg N per ha.
Ook bij de teelt van vlinderbloemigen kunnen emissies van lachgas optreden. Emissie van lachgas kan bij vlinderbloemigen worden geproduceerd door het fixatieproces zelf en wanneer gewasresten ondergewerkt worden. Als de gewasresten een lage C:N verhouding hebben, kan er veel mineraal N ontstaan dat vatbaar is voor nitrificatie en denitrificatie. Hierdoor kan het onderwerken van gewasresten van vlinderbloemigen onder bepaalde omstandigheden tot meer lachgasverliezen leiden dan bij niet vlinderbloemige gewasresten.
Veel van deze toename in lachgasemissies bij de teelt van vlinderbloemigen kan toegeschreven worden aan de N-afgifte via wortelexudaten gedurende het groeiseizoen en van afbraak van gewasresten na oogst. Emissies vanuit het fixatieproces zelf zijn minder duidelijk en zeker. Op landbouwbedrijven worden voornamelijk gele mosterd en bladrammenas als groenbemesters gezaaid. Andere groenbemesters kunnen evenwel grote voordelen hebben ten opzichte van deze gewassen: Vlinderbloemige groenbemesters binden actief stikstof en bewortelen de bodem beter. Ook veel gebruikte groenbemesters zoals raaigrassen en rogge of haver hebben een zeer intensief  wortelgestel. Met klaver of wikke kunnen deze grasachtige groenbemester beter verteerbaar worden gemaakt en bovendien kan de vlinderbloemige zorgen voor stikstofbinding. Vlinderbloemige groenbemesters moeten uiterlijk voor half augustus ingezaaid worden omdat anders weinig stikstof in het najaar wordt gebonden. Mogelijke mengsels van groenbemesters en vlinderbloemigen zijn: Italiaans raaigras en perzische klaver of wikke, engels raaigras en rode klaver en haver/rogge en wikke. Belangrijke aspecten bij de keuze zijn groeikracht, wintervastheid en zaaidatum. Bij een snelgroeiende graan- of grasgroenbemester is het verstanding ook altijd voor een snelgroeiende vlinderbloemige te kiezen. Er moet een kleine hoeveelheid stikstof aanwezig zijn voor een vlotte beginontwikkeling.
Groenbemesters of vanggewassen spelen een rol in de mineralenmanagement, bescherming van  de bodem tegen ongunstige weersinvloeden en toevoer van organische stof (positief effect op bewerkbaarheid, vochtvoorziening, bodemstructuur, bodemleven). Het telen van een vanggewas heeft  een reducerend effect op de lachgasemissie vanwege lagere N-verliezen. Het effect van een  N-vanggewas is het grootst bij voorgewassen die veel stikstof achterlaten en de volgende hoofdvrucht  in het voorjaar daarop wordt gezaaid/geplant. Overigens dient wel rekening te worden gehouden met een uiterste zaaidatum. De keuze voor soort type vanggewas is afhankelijk van de  teelten en wordt bepaald door het effect op een eventuele vermeerdering van aaltjes, slagingskans  van de teelt, vorstgevoeligheid, hoeveelheid en type biomassa, onkruidonderdrukkend vermogen, waardplant en het zaaitijdstip. Bij een late oogst van het hoofdgewas (bijvoorbeeld korrelmaïs vanaf half oktober) zal de bijdrage van een N-vanggewas (te) gering zijn. Na gebruik wordt de groenbemester/ N-vanggewas ondergewerkt of door de bouwvoor gewerkt. Hierbij zijn ook technieken anders dan ploegen te gebruiken (bijvoorbeeld schijveneg of (veer)tandcultivator).
Bron: SMK

Is deze informatie waardevol voor u? - Deze functie is 'anoniem' en enkel gericht naar de dossier beheerder!